geld
Toen de Romeinen eeuwen eerder nog in Nederland waren, gebruikten zij hier al munten van goud. Je had een solidus en een kleinere tremisse. Drie van die tremissen maakten samen één solidus. Nadat de Romeinen waren verdwenen, bleven die munten nog wel in gebruik. Alleen het probleem was dat er maar heel weinig goud beschikbaar was. Steeds vaker smolten mensen veel zilver met een beetje goud om nieuwe munten van te maken. Aan het einde van de zevende eeuw besloten de mensen om dan maar helemaal op zilver over te stappen. Dat gebeurde in Engeland, maar ook in Friesland (dat toen van Zeeland tot aan de Duitse Noordzeekust liep).
Elke muntmeester maakte zijn eigen muntstempels. Daarmee sloeg je een afbeelding met een hamer in stukjes zacht zilver, zodat iedereen kon zien dat het officieel geld was. Sommige muntmeesters probeerden Romeinse voorbeelden na te doen, anderen sloegen er runentekens in of afbeeldingen van gezichten of dieren. Vaak was er een koning die een muntmeester aan het werk zette. In Friesland was dat bijvoorbeeld koning Redbad.
Rondom de Noordzee werden rond het jaar 700 op verschillende plekken dezelfde soort zilveren munten geslagen. Die noemen we wel sceatta’s. Een Oudengels woord voor rijkdom, waar ons woord ‘schat’ ook weer van is afgeleid. Elke muntmeester maakte zijn eigen type, maar volgde wel dezelfde uitgangspunten: een sceatta woog net zoveel als 20 graankorrels, ongeveer 1,3 gram. En dat was niet toevallig, want ook de Romeinse tremisse woog zoveel. Twaalf zilveren sceatta’s waren evenveel waard als één gouden tremisse. Dus zo’n los muntje van zilver was wat gemakkelijker om mee te betalen. Dat gebeurde dan ook veel meer.
Dankzij de invoering van de sceatta veranderde Friesland en de hele Noordzeekust langzamerhand in een geldeconomie. In plaats van het ruilen van spullen, werd geld gebruikt om iets te kopen of te verkopen. Niet alleen de handelaren gebruikten de zilveren muntjes, ook de boeren in de terpdorpen deden dat waarschijnlijk.
een schat in de grond
In de bodem van Friese terpen zijn door archeologen veel sceatta's gevonden. Hoe dieper in de grond, hoe ouder iets is. Er worden nog steeds nieuwe sceatta's gevonden door amateurarcheologen met een metaaldetector.
Maar de muntschat van Hallum blijft een geval apart. Vanwege de grote hoeveelheid (in het kogelpotje zitten maar liefst 223 kleine zilveren muntjes), maar ook vanwege het soort sceatta’s. Het leuke is dat 173 stuks van een specifiek type waren. Aan de ene kant was een man met wilde haren afgebeeld, aan de andere kant een slang. Ze noemen dit het Wodan/Monster-type, maar die naam klopt waarschijnlijk niet helemaal. Onderzoekers vermoeden nu dat de figuur met de wilde haren niet de Germaanse god Wodan is, maar een andere god: Thuner. Zo werd hij in Friesland genoemd, maar jij kent hem waarschijnlijk beter onder een andere naam: als Thor uit de Marvel films.