In de zeventiende eeuw maakten portretten, vooral bij de adel, deel uit van een galerij waarin een familie haar afstamming liet zien. Portretten van jonge kinderen benadrukten de voortzetting van de adellijke lijn en tonen dat de huidige generatie haar plicht vervulde: het voortbrengen van nageslacht.vi Op deze portretten dragen de kindjes stijve, statige kleding. Soms hebben ze speelgoed in de hand, maar hun houding laat vooral de voorbereiding op het volwassen leven zien.
Het is dan ook logisch dat alle kinderen binnen een gezin een eigen portret kregen. Van Susanna van Burmania is bijvoorbeeld een kinderportret bewaard gebleven. (afb. 3) Wybrand schilderde haar in 1634 op vijfjarige leeftijd. Haar broer Jarich moet eveneens zijn geportretteerd. Dit weten we dankzij een boedelinventaris uit 1693 waarin niet alleen Susanna’s kinderportret wordt vermeld maar ook dat van haar broer: ‘[…] een kint synde de heer Jarich van Burmania’.vii Ongetwijfeld is ook Wybrand gevraagd om hem te schilderen. De verblijfplaats van dit werk is echter niet bekend.
Door de vele kinderportretten die van Wybrand bewaard zijn gebleven, rijst de vraag of hij zijn eigen kroost ook op kinderleeftijd heeft geschilderd. Samen met zijn vrouw Hendrickien Ulenburgh kreeg hij drie jongens en twee dochters. Maar de portretten zijn niet overgeleverd en in archieven is geen bewijs te vinden dat ze inderdaad hebben bestaan. Als Wybrand zijn telgen afzonderlijk heeft geschilderd, zullen de portretten net zoals de broertjes met kolfstokken, bepaalde kenmerken gemeen hebben zoals eenzelfde formaat.